Dit gedicht is niet alleen maar    

leuk, maar wel belangrijk

voor ons.


 

Handen

 

Mijn verwachte kind

Handen om een zwangere buik;

Voel, het schopt!

 

Mijn babykind

Zorgende handen

In een wereldje van luiers, melk en boertjes

 

Mijn kleine kind

Geef maar een handje! Beschermen en troosten

Je komt soms handen tekort

 

Mijn grote kind

Klap mee met het applaus: geslaagd!

Zijn handen houden mij tegen als ik uitglijd

 

Mijn gestorven kind

Loze gebaren: dat hij er netjes bij ligt

Een allerlaatste streling: vaarwel voor altijd

 

Blijft het verdriet

Werkeloze handen in mijn schoot


 

     

Er is een kind gestorven

het kind dat ik ooit droeg

het stierf volkomen onverwacht

en ook nog veel te vroeg

 

Hij koos zelf voor zijn sterven

bevrijding van zijn pijn

maar sneed zo ook zijn vreugdes af

en wat had kunnen zijn

 

Ik respecteer zijn keuze

leer leven met zijn dood

ooit hoop hem weer echt te zien

‘t verlangen is heel groot

 

Ik mis hem zo verschrikkelijk

zijn grappen en zijn stem

over de grenzen van de dood

houd ik zielsveel van hem

 

Hij was zo gaaf, zo dwaas, zo lief

onhandig, origineel

met alles wat hij was en deed

missen wij nu ook zo véél

 

Zij die hem kenden weten

iets van het groot gemis

zij zien een legere wereld

waarin hij niet meer is

 

Maar ik, ik ben de enige

die steeds nog met hem leeft

met hem bij alles wat ik doe

een lijntje open heeft

 

Hij is nu stralend, rustig,

de eenzaamheid voorbij

en hij zorgt als een oudste zoon

vaderlijk voor ons en mij

 

Waar híj nu is heeft híj het goed

wij horen nog niet daar

wij doen ons best als levenden

gaan verder met elkaar

 

Wij leven verder, zonder hem

maar met een engel meer

dat maakt het leven draaglijk

maar wat doet dóórleven zeer

===========================

                                                                       Zetten, 26-2-02

 

Beste gespreksgroepleden,

 

Zoals ik, ook namens Geke, in de vorige brief schreef, staat het iedereen vrij, om al dan niet op papier te zetten en rond te sturen wat hem of haar de afgelopen maand bezig hield. Deze week bijten wij beiden het spits af. Dus bij dezen: wat mijzelf de afgelopen maand bezig hield:

Zoals altijd was ik na de afgelopen keer weer erg onder de indruk van ieders dagelijkse “klus” van het verder leven. Die verhalen werken nog lang na. Achteraf bleek voor mij, dat ik er nog nooit zó bij had stilgestaan wat ik zou doen/zeggen als ik Jelle nog heel even bij me zou kunnen hebben. Ik ervaar n.l. geregeld zijn aanwezigheid en voel hem als beschermer van onze gezin, maar dan zie ik hem “van buiten”: stralend licht, vrij, in een andere dimensie dan wij. Ik heb nooit geprobeerd direct met hem te praten op een gewone manier. Het verhaal van Josje maakte me duidelijk, dat het schroom van me was om hem niet te “storen” bij zijn nieuwe bestaan, zonder dat ik me dat realiseerde.

In de nacht na onze groep zat Jelle ineens voor me in mijn droom. Maar nu niet stralend en licht, maar “teruggekomen” omdat ik iets wilde weten. Ik had immers ’s avonds beseft en gezegd, dat ik hem zo graag wilde vragen of alles nu achteraf goed was? Ook tussen ons?

Ik schrok erg van de directe confrontatie. Hij zat in zijn lichaam alsof hij er niet meer in paste en ik was bang omdat ik wist dat hij dood was en dat hij er inderdaad niet meer in thuishoorde. Toen ik begreep dat hij kwam in antwoord op mijn “vraag” raakte ik nog erger geschokt. Maar hij was er en we keken elkaar lang aan en ik las van alles op zijn gezicht. Hij was zo ernstig, stil en het was alsof ook hij terugkeek naar zijn leven. Het was niet “ mooi” voor ons geen van tweeën. En ik begreep dat hij wist wat ik wilde weten, dus ik zei alleen maar: “En?”  Hij keek me weer lang aan, strak, ernstig, toen bijna plagend en uitdagend en zei:” Wat dacht je zelf dan?”. Daarna begon hij snel te verdwijnen na een kort gebaar van:  “Het is OK, hoor”.

De droom heeft me dus erg geschokt.

Precies een week later begeleidde ik een dag bij de vereniging voor nabestaanden van zelfdoding. Ook hier raakte dingen mij, die ik pas later merkte.

En de nacht na deze dag droomde ik weer.

Ik was met een groep mensen op een lange en moeilijke tocht. Er waren risico’s, uitvallers, ongelukjes, zorgen en weinig rust. Het duurde ontzettend lang, de droom leek veel en veel langer te duren dan in 1 nacht past. De kinderen waren er ook bij. We dwaalden en verdwaalden. Toen kwamen we bijna bij het eind. En daar was een heel gevaarlijk stuk. Ik wist dat het daar heel erg pijn deed en dat een van ons er doorheen zou moeten, anders konden we niet verder en ik zag ook dat het bijna onvermijdelijk was dat ik dat pijnlijke stuk koos.

En opeens wilde ik niet meer. Ik had er zó genoeg van en die pijn was te veel erbij.

Toen was er een begeleider, grijs, zonder duidelijk uiterlijk. Hij wist dat ik er door moest en niet wilde en ik viel hem aan en vocht en vocht… We waren even sterk, dus er kwam geen beweging in wat ik me ook weerde. En uiteindelijk hield ik op en accepteerde en viel alles stil. Ik weet niet met wie ik vocht: met mezelf, met Jelle, met God of misschien wel met mijn leven. Ik werd wakker terwijl ik zei: “ik houd van je” en alles was rustig. Op de een of andere manier hoorde deze droom bij de eerste, hoewel ik ze allebei niet echt begrijp.

            Dit was voor mij de belangrijkste gebeurtenis van de afgelopen tijd.

Tot ziens en horens

Lida

 

Wij

dragen

hem

met

ons

mee.

Jelle M. Harinck (3 maart 1976 tot 18 juni 1997)

 

Het is weer de tijd rond Jelle’s geboorte-en sterfdag. Dus zoals elk jaar speelt zich in mijn hoofd de cyclus af, zoals die zich in 1997 ontrolde:

Allemaal te gast op zijn 21ste verjaardag en hij de volwassen gastheer.

De video die hij maakte over zijn studentenleven: lol, uitjes, de “rondleiding” door zijn kamer en het huis waar hij huisoudste was, spelletjes, dansen, autorijles. Zijn volle, mooie leven, waar ik nu nog alleen naar kan kijken op die video.

Zijn oma’s verjaardag, op de foto’s zie ik hem zachtaardig en aandachtig spelen met zijn jongste broertje van 10, neven en nichtje. Ik zie de oppaskinderen voor me die over hem spraken op de begrafenis zo klein als ze waren, zo’n groot kinderverdriet!

Moederdag; ik krijg van hem niet alleen de bonbons van elk jaar, maar ook een groot formaat portret, heel mooi, dat nu aan de kamermuur hangt en in kleinere versie overal met me meereist. De foto die nu staat in : streep hun naam niet door.

Hij ziet er niet goed uit die twee laatste keren en we praten met hem. Wat zit hem dwars; kunnen we hem helpen? Nee, hij moet en zal het zelf uitknokken: hij is 21 !!!

Allerlei telefoontjes en contacten en dan met Pinksteren. Hij zal met ons uitgaan, maar zegt af: buikpijn en hoofdpijn. Ik maak me nog meer zorgen. Ga naar hem toe na ons uitje en schrik. Hij ziet er erg slecht uit. Groen van de pijn, somber, magerder geworden; door de telefoon leek het meer dan het was. Maar hij is boos als ik hem bemoeder; neemt wel braaf zijn temperatuur op en kijkt in de spiegel, maar dat er geen eten in zijn kast zit is zijn zaak.

Ik kus hem voorzichtig en zeg nog wat zorgzaams, zijn broertje kust voorzichtig zijn gevouwen handen en maakt niet de gebruikelijke grapjes; hij is onder de indruk van zo’n zieke grote broer. Sindsdien spreken we alleen door de telefoon: hij wil er tussenuit om tot rust te komen en zegt “met vakantie te gaan bij zijn beste vriend in Berlijn, dus hij is even uit de lucht”. Dinsdagavond 17 juni spreekt hij nog een bezoek bij zijn oma met haar af. Diezelfde nacht sterft hij. Zelfdoding.

Als wij hem terugzien is dat bij de identificatie dagen nadien. Hij oogt nog mager en somber, maar wel rustiger. Zijn handen weer stil gevouwen. Zo’n zwart gat van verdriet!

Zo’n pijn, om zijn eenzaamheid, onbereikbaarheid, zijn kennelijk te zware lijden.

Alleen nog kunnen zorgen door kleren te halen, rode roos bij hem te leggen, begrafenis te regelen, zijn kist te dragen, enz. enz. Geen afscheid van een stervend kind kunnen nemen, maar alleen zijn lieve vertrouwde lijf, helemaal leeg, Jelle al zo ver weg uit dat lijf, na dagen te zijn verzorgd door vreemden, die hem niet thuis konden brengen, niet wisten wie hij was.

Zeven jaar geleden. Hij zou deze week 28 zijn geworden en door het groeien van zijn levende broers en zus kan ik hem mezelf als 28jarige voorstellen, met baan en relatie, zoals de oudste twee nu. Zijn “kleine” broertje steekt nu boven ons hoofd uit en gaat na de zomer studeren als (dan) 18-jarige. Jelle’s sprekend evenbeeld in uiterlijk en karakter. Na een suïcidepoging van zijn vriendinnetje deze herfst is alles van Jelle’s dood weer bij hem boven gekomen maar nu niet meer als kind, maar als jongvolwassene. Hij durft nauwelijks alleen de wereld in op dit moment. Wat zijn we toch alle 5 kwetsbaar geworden als gezin na Jelle’s dood. Nog zoveel verdriet en angsten. Voor ons allemaal is de tijd verdeeld in het leven voor en na zijn dood.

En het blijft altijd “gisteren”en “onnatuurlijk in onze levensloop” . Toen, in 1997, zag ik ouders bij de VOOK die na 8 of 10 jaar na hun verlies nog tranen in de ogen hadden bij het erover praten en ik dacht: ja, het is voor altijd en dat krijg ik kennelijk allemaal nog, maar mijn steun was: ze hadden het overleefd en ik bewonderde ze, omdat ze een wonder (overleven) hadden verricht en mijn pad wilde bijlichten. Wat heb ik veel aan ze gehad!!!!

En nog steeds. Nu Jelle overal “buiten” “oud nieuws” is geworden, de familie er niet meer over wil praten en er steeds minder mensen in mijn kennissenkring hem ook gekend hebben. Wij zijn echter inmiddels nog omringd door goede zielen en in die groep oude en nieuwe vrienden is het  “gat” in ons leven bekend en geaccepteerd.

En ook juist binnen de VOOK mag ik er zijn, ook als ik perioden weinig of niets bij te dragen heb. Ze begrijpen totaal en vanuit hun eigen gemis.

Je wordt door de jaren heen handiger in het manoeuvreren met dat gemis, maar de heimwee naar je kind zelf groeit alleen maar, wordt schrijnender als het verder weg raakt.

Ik was geen goede moeder voor Jelle. Ik hield van hem, zorgde voor hem, vocht voor hem en koesterde hem, was trots op hem. Maar ik gaf hem onvoldoende zekerheid en bescherming als kind; was zelf nog te angstig, weifelachtig van binnen en had zo weinig zelfvertrouwen.

Ik was zelf nog teveel een afhankelijk kind toen hij klein was.

En weet je? Jelle’s dood heeft gek genoeg een goede moeder van mij gemaakt.

Ik ben een rots voor mijn kinderen; ze kunnen voor van alles op ons terugvallen. Ik ben dapper en vecht voor ze. Ze kennen mijn liefde en vertrouwen in hun moeilijkste periodes op mij. Terwijl Jelle nooit heeft begrepen hoe innig ik juist van hem hield. Maar door met zijn dood te leren leven, zelf in de diepste pijn te komen en de grootste angst te moeten beleven, heb ik zelfvertrouwen gekregen en de rust om elke keuze te maken, elke weg te gaan.

Ik zou liever bij Jelle zijn, maar blijf hier en accepteer wat zijn dood me aan rijkdommen bracht, al had ik ze liever ontbeerd als hij dan niet dood had gehoeven.

Maar via wat hij door zijn dood ons beide als ouders leerde zorgt hij indirect voor ons allemaal. Ook voor mijn lieve engel kan ik nu een andere moeder zijn. We houden van elkaar.

 

Lida van de Voorde,

moeder van de engel Jelle en de levende kinderen Mijet, Geuko en Ben

 

Moeder van Jelle †, Mijet, Ben en Geuko

==========================================

Jelle’s appelboom

3 maart 1976 werd Jelle geboren. Geluk, trots, een vreugde die te groot was voor mijn lijf! Ik keek naar hem, luisterde naar zijn ademhaling, kreeg er geen genoeg van: ik was moeder geworden; een ander soort wezen dan daarvoor: mijn eerste kind veranderde me onomkeerbaar.

Familie en vrienden liepen af en aan en, omdat mijn man en ik beiden aan de universiteit werkten, kwam daar “onze” groep studenten, verlegen lacherig met achter de rug een twijg met worteltjes: een “appelboom” voor Jelle, te planten als herinnering aan zijn geboorte.

En dat deden we, achter het huisje, onze eerste woning, waar meer beton dan grond de “tuin”vormde. De boom bleek een “Mantet”, een appelsoort dat niet te koop is, omdat de vruchten te kwetsbaar zijn voor vervoer: een hele sappige smakelijke zomerappel. Maar de twijg bleek niet kwetsbaar. Zijn twee jaar op die binnenplaats groeide hij uit tot een gave miniboom. Bij de verhuizing naar een groot huis met en zonnige tuin ging hij mee en vestigde hij zich op zijn plaats. De kinderen spraken altijd over hem als over Jelle’s boom en de oogsten werden steeds groter: emmers vol appels, die niet te bewaren waren; dus eten, uitdelen en tenslotte appelmoes koken. Jelle vond dat prachtig! Tien jaar duurde deze periode en ze eindigde in een rampentijd: het ging steeds slechter met Jelle, met mij, met het huwelijk en ook de scheiding daarna leek het sons eerder slechter dan beter te maken. Het gezin viel uit elkaar en ik vond een baan aan de andere kant van het land. Hoe en waar Jelle bleef daarover waren de geleerden het nog niet eens (waarschijnlijk opname in de psychiatrie). Maar over de boom zei niemand iets en toen het huis verkocht moest worden, wilde ik Jelle’s boom per se meenemen. Een te hulp geroepen tuinder vertelde me, dat de boom te oud en te diep geworteld was, dat het risico op sterfte te groot was en het vervoer onmogelijk vanwege het gewicht van wortels/aarde. Maar ik dreigde mijn mooie lieve kind te verliezen en ik kon niets anders dan me aan zijn boom vastklampen. De tuinder vroeg waarheen de verhuizing ging en toen ik “de Betuwe”zei, kon hij me alleen maar uitlachen: daar staan al zat appelbomen, daar neem je gewoon een betere al wil je je tuin volzetten.

Natuurlijk was ik met veel zaken intensiever bezig dan met de boom: de kinderen, die ik zelden mocht zien, de puinhopen van het huwelijk, van werk veranderen, alle soorten van verdriet en angst, maar juist omdat ik bijna ten onder ging en de kinderen ook niet wist te redden, moest de boom met me mee. Bij de verhuizing van de meubels, name vrienden desgevraagd ook de boom mee in een wagentje. Ze hadden hem losgetrokken en alle grote wortels waren geknapt: een armzalig ding in een vreemde omgeving, net als Jelle zelf, net als ik zelf. We hadden nog geen nieuw huis, maar huurden iets van de werkgever. Een tijdelijke stek en geen ruimte voor een boom. Maar achter ons woonde een natuurliefhebber. Het was winter en hij kapte heel voorzichtig de kroon klein en zette de boom voor ons in een vijver in zijn tuin als een “snijbloem”. Dat kon ik Jelle vertellen als ik hem zag en dat de boom misschien ooit weer zou groeien en appels geven, al zei bijna iedereen dat het niet zou gebeuren. Voor mij (en misschien ook voor Jelle) werd de boom een symbool voor hemzelf: hij had het zwaar, maar ook zoveel groeikracht en talenten; hij ging naar de Middelbare school en begon zich langzaam te ontplooien.

De boom ging naar de tuin in ons nieuwe huis, naast een kers, en begon een nieuw leven. Met na enige jaren weer emmers vol met de mooiste en lekkerste appels en de mooiste zocht ik uit voor Jelle zelf. Het was weer een mooie tijd, Jelle en ik maakten samen avontuurlijke tochten en hadden weer plezier met elkaar! We vormden weer een (nieuw) gezin en we konden weer zorgen en koesteren. We leidden een “gewoon” leven en de kinderen doorliepen met succes hun scholen. Jelle haalde ruimschoots zijn VWO-diploma, ging studeren en stortte zich in het studentenleven: vele vrienden, leuke hobby’s (samen), uitstekende cijfers. Op de video’s it die tijd wordt wat afgelachen. Maar toen, acht jaar na de vorige rampenperiode, begon Jelle te tobben. Hij sliep slecht, at slecht, zag er slecht uit; hij bleek problemen te hebben gekregen met een vriendin en daardoor in zijn studentenhuis; hij verhuisde. Wij praatten met hem, probeerden voor hem te zorgen, maar hij was nu 21 jaar en vond dat hij zichzelf door een moeilijke periode heen moest (kunnen) vechten. Dat leek niet vreemd. Hij had zijn vleugels zo mooi uitgeslagen en kwam toen in zwaar weer en wilden zijn eigen krachten gebruiken, was daar heel duidelijk in. Het gebeurt in zoveel levens: een lastige periode rondom het op eigen benen gaan staan. Hij probeerde van alles (elders studeren, stages, had een reis geboekt), was zo dapper, maar verloor; pleegde zelfdoding 18 juni 1997

De wereld hield nu helemaal op.

Geluk hield op, het leven hield op, het werk hield op. We verhuisden een half jaar later.  Het was Februari en vroor hard. Dan verpoot je geen oude appelbomen. Die verpoot je eigenlijk helemaal niet meer na 21 jaar. Er kwamen nieuwe mensen in het huis wonen. Ik wilde de appelboom niet aan hen toevertrouwen. De tuinman wurmde hem uit de grond en vanwege de diepte van de vorst moest hij tien dagen buiten blijven liggen voor hij weer te planten was.

Dat is ruim tien jaar geleden. In onze tuin staat een appelboom. Hij geeft zoveel vruchten, dat hij soms sterk uitgedund moet worden, anders breken er takken af. Twee jaar geleden kreeg hij kanker en bloeide hij niet meer. Ik heb hem toen laten opereren. Vorig jaar: 5 bloemen, 5 gave grote appels. En zoals ieder jaar wacht ik ook dit voorjaar weer af. 3 maart 2008; Jelle zou 32 jaar zijn geworden. Zijn broers en zuster zijn vanaf dit  jaar allemaal ouder dan hij ooit geworden is. Een boom, overal heen meegesleept, die nu al 32 jaar hardnekkig Jelle’s boom staat te zijn.

 

 

.
JELLE * 3-3-’76 18-6-’97

18-06-2002

5 jaar

18 juni, dan is het al 5 jaar geleden, dat ons leven compleet veranderde.

Sinds die dag bestaat ons leven uit de tijd voor Jelle’s dood en de tijd erna.

Het lijkt weer een magische grens en ik zie er zo tegen op.

Verder en verder wordt zijn bestaan verleden tijd. Alsmaar groter wordt de heimwee.

En er komen steeds meer mensen om ons heen, die hem niet gekend hebben. Ze weten niet dat er een groot gat in de wereld zit waar Jelle was; een gat op de plaats waar wij nog leven.

Zo is dat voor al onze kinderen en wij, in de vereniging zijn ons er vaak wel van bewust, dat de wereld een wereld vol lege gaten is; vooral als er namen, stenen of foto’s van onze kinderen bij elkaar gebracht worden en je nog beter kunt beseffen hoe groot het verlies van al deze toekomst is. De omgeving vergeet… wij nooit, geen dag. Door onze herinneringen zijn ze op een bepaalde manier nog een beetje in de wereld.

Wat kan ik hier nog vertellen over de jongen die Jelle heette?

Een lief jong, verstandig en wijs. Een aanhankelijk kind, vertrouwend op zijn ouders. Als ik hem vertelde wat er ging gebeuren liet hij zich trouw meenemen en werkte mee. Een prik bij de dokter, een spannende reis. Toen hij 2 jaar was moesten we ‘s morgens om vier uur weg voor een vliegvakantie; de vorige avond alles klaargelegd en Jelle verteld, dat hij heel vroeg mee moest.

Toen ik hem om half vier wakker maakte, was hij er gelijk bij: o ja, het vliegtuig. Ik kan nog voor me zien hoe hij zijn armen en benen slaperig uitstak om aangekleed te worden; helemaal partij voor wat we gingen ondernemen.

Ik heb zoveel foto’s van momenten, dat de kleuter en het lagere-schoolkind dat Jelle was trots liet zien wat hij deed of maakte. Hij was het eerstgeboren kind in het gezin en het eerste kleinkind aan beide kanten, dus iedereen genoot van hem.

Op de vrije school, hij was 4, moest Jelle een sprookje maken. De sfeer thuis paste niet helemaal bij de cultuur van de vrije school: we maakten geen poppen, hielden geen bijen, waren geen vegetariërs. Jelle overbrugden de verschillen altijd creatief. Zijn sprookje ging over een fee, die gelukszaadjes uitstrooide. Ze bestrooide ook een oude typemachine, die daardoor "een prachtige computer werd".

Oud nieuws, oude verhalen. De liefhebbende familieleden waren allemaal kapot van verdriet op de begrafenis. Jelle beroofde zich van het leven en ons van zijn bestaan.

Het arme kind. Wat moet hij geworsteld hebben; hoe eenzaam, hoe wanhopig.

En dat terwijl zoveel mensen van hem hielden en genoten. Ook op het moment van zijn dood. De volwassen student, de gangmaker met zijn onnavolgbare humor. Geliefd bij zijn leraren, door zijn leergierigheid en de manier waarop hij opdrachten uitvoerde. De tobber, lijdend aan elk onrecht en aan zijn eigen bestaan, wat maar niet wilde lukken, zoals hij het wilde.

Die zich zo moeilijk geliefd kom voelen, terwijl hij zelf zo veel aardige dingen voor anderen deed. Had hij maar meer van zich af gebeten, voor zichzelf opgekomen, hulp gevraagd, volgehouden, dan hadden we nu samen kunnen terugkijken op een rottijd van 5 jaar geleden, waar hij gelukkig doorheen gekomen was. Dan hadden we nu samen nieuwe ervaringen gehad en geluk gekend.

21 jaar hebben we Jelle bij ons gehad en ik had er niets van willen missen. 5 jaar geleden ging hij van onze weg af en de rest van ons leven zal ik daar verdriet om blijven hebben.

Lida van de Voorde

Moeder van Jelle †, Mijet, Ben en Geuko

 

 

wpe7.jpg (381022 bytes)


Introductiepagina | Mijn Passie!? | Ben zijn Spelhoekje
| Wat Foto's | Leuke artikelen

Ons adres:


E-mail: Chris.Colijn@net.HCC.nl